Onderzoek naar kleinschalige woonvormen
Kleinschalig wonen is dé trend. Het ministerie van VWS stelt er 80 miljoen voor beschikbaar. Steeds meer instellingen voor ouderenzorg gaan ermee aan de slag en ook particuliere initiatieven spelen erop in. Is kleinschalig wonen een tovermiddel?
Rond 1981 werd kleinschalig wonen geïntroduceerd als tegenhanger van de traditionele ‘ziekenhuiszorg’ in verpleeghuizen, vertelt Dieneke Smit, wetenschappelijk medewerker bij het Trimbos-instituut. ‘Men zag in dat voor dementerenden complexe zorg nodig was in een normale woonsituatie. Ook ontstond een nieuwe visie op verpleeghuiszorg, waarin veiligheid, gehechtheid en herkenbaarheid belangrijk zijn. Kleinschaligheid paste in die visie van “warme zorg”.’
In een onderzoek uitgevoerd tussen 2004 en 2006 vergeleken het Trimbos-instituut en het VU Medisch Centrum kleinschalig wonen met moderne grootschalige verpleeghuiszorg. Kleinschaligheid bleek enkele voordelen te hebben: bewoners hebben meer omhanden, zijn minder hulpbehoevend en genieten meer van de omgeving.
Het positieve effect blijkt echter kleiner dan verwacht, waarschijnlijk doordat de onderzochte verpleeghuizen al nieuwe ideeën doorvoerden. Het onderzoek toonde verder aan dat verzorgenden in kleinschalige woonvormen meer tevreden zijn en minder burn-outklachten hebben. Voor mantelzorgers blijkt het type woonvorm niet van belang. Voor hen gaat het er vooral om dat ze de zware zorg thuis niet meer hoeven te dragen. ‘Kleinschalig wonen mag nooit een doel op zich zijn’, zegt onderzoekster Smit. ‘Het is een middel om goede dementiezorg te organiseren. In de praktijk zien we echter dat sommige kleinschalige woonvormen mensen met veel “probleemgedrag” of een grote medische zorgvraag overplaatsen. Dat is niet de bedoeling. Wie voor zo’n woonvorm kiest, moet er in principe altijd kunnen blijven.’
Bron: Zorg + Welzijn

